Rob Eckhardt leest voor

Kvernes van C.O. Jellema

Rob Eckhardt

Rob Eckhardt, bestuursvoorzitter van Zen Centrum Amsterdam en verantwoordelijk voor Zencentrum Drents Friese Woud,  leest een gedicht voor van C.O. Jellema. Hieronder leidt hij dat in. 

--

Het vinden van woorden voor het woordloze tijdens een dharmales voelt telkens weer als een beproeving. ‘Hoe langer ik het zenpad volg hoe lastiger het wordt er iets zinnigs over te zeggen. Stotterend en stamelend breng ik iets onder woorden waar geen woorden voor bestaan, druk mij uit in waarheden waar geen waarheden bestaan.’ Schrijft zenleraar Motoko Ikebe in haar essay over bevrijding.

Toch moeten we het blijven proberen, we hebben geen keus, taal is een voor ons mensen belangrijk middel om ons uit te drukken. Dichters kunnen daar ons bij helpen. Dichters zijn taalmeesters. Bij dichters gaat het niet om de woorden maar de ervaring die de woorden in ons losmaakt, zij dansen als het ware om de woorden heen en vullen daarmee de ruimte tussen de woorden.

Dit geldt niet in de laatste plaats voor C.O Jellema (1936-2003). Mijn mystieke dichter. Een groot kenner van Meister Eckhart, wiens preken en traktaten virtuoos door hem zijn vertaald. ‘Ik ben de vlieg die tegen het venster gonst, terwijl het raam ernaast wijd open staat’ schrijft Jellema in zijn gebundelde dagboeken ‘Een web van dromen’ en geeft daarmee uitdrukking zijn diepe verlangen en de daaruit voortvloeiende onmacht, die zijn leven hebben beheerst.

Ik wil graag zijn gedicht Kvernes voorlezen, daarin beschrijft hij een ervaring die hem overvalt als hij de middeleeuwse staafkerk in het Noorse Kvernes bezoekt. ‘Toch als gewoonlijk wint weer bewoording’ dicht hij een beetje beteuterd aan het eind. Woorden die voor een dichter toch een zegen zouden moeten, markeren voor hem op dat moment weer een terugkeer uit de ervaring naar het alledaagse. En het zijn juist die woorden waarmee hij het woordloze van de ervaring beschrijft.

KVERNES

Soms, onvoorzien, kom je aan
waar je wilt zijn, je ligt in het gras,
ogen dicht. Wat je zag: de weerspiegelde
blauwende bergen, van oever naar
oever een veerboot een stip in het diepe
rimpelend water, naast je de houten
stafoude kerk van Kvernes, onder
bomen bemost van zijn doden de steen –

beeld in je hoofd is het al, dat dit
deelt met je tastende hand langs de
kerkwand, de stap van je voet van
grafsteen naar grafsteen, je ligt met je
rug aan de rotsgrond, een fluister-
wind in je oorschelp, je ademt het
gras in, de geurloze warmte van
nazon, deze heldere noordse

september: hier ben ik – en even geen
denkwerk, zintuiglijker levend een
waarheid, dit alles, dat samen het
blijvende uitbeeldt (alsof niet
ergens een mens wordt vermoord op zijn
vlucht voor de honger, alsof niet), dit
heelzijn achter mijn huiddunne ooglid – toch
als gewoonlijk wint weer bewoording: zo

herbergt mijn hier nu verzadigd gestrekte
en voor mezelf met welk geloofwaardig
innerlijk oog als vanboven daar in het
gras aan de fjordkust waarneembaar
rustende lichaam een landschap: het
werd wat het waarnam, maar weet dat, dus
blijft niet – want nergens, zelfs hier
niet, kan aankomst voorgoed zijn