Ik ben niet de doener

“Leg al je doelstellingen, aspiraties, verlangens om de mensheid te dienen en plannen om de wereld te verbeteren neer bij de Universele Kracht die dit universum in stand houdt. Zij is niet dom. Zij zal doen wat nodig is. Laat het besef van ‘ik doe dit’ varen. (…) Denk niet dat jij degene bent die een verbetering tot stand brengt. Laat deze doelstellingen met rust en laat ze over aan God. En door je vrij te maken van egoïsme kan God je gebruiken als instrument om ze te verwezenlijken.”1 (Ramana Maharshi)

De laatste maanden heb ik veel gelezen van en over Ramana Maharshi (1879-1950), de grote wijze uit India. Ik ben geïntrigeerd door het verhaal over de jongen van zestien die zijn ouderlijk huis verlaat om in een grot te gaan mediteren. Zijn levensverhaal vind ik heel boeiend en ik zal er tijdens het zen weekend van november meer over vertellen. Ik kom mijn geliefde thema’s, ‘vertrouwen’ en ‘wu-wei’, ook allebei weer tegen.

Eén van de boeken die ik gelezen heb heeft als titel: “Living by the Words of Bhagavan”. Ramana werd door zijn volgelingen bhagavan, godgelijke, genoemd. Dit boek bevat het levensverhaal van Annamalai Swami, een discipel van Ramana. Het verhaal van Annamalai is net zo indrukwekkend als dat van zijn Meester. Hij kreeg als opdracht om de bouwwerkzaamheden in de ashram te superviseren. En dat waren er nogal wat; er werd een keuken en eetzaal gebouwd, een koeienstal, een kantoor, winkel, enzovoort. Hij kreeg deze opdracht terwijl hij geen enkele ervaring had met architect- of bouwwerkzaamheden.

De bouwvakkers, soms wel dertig mannen en vrouwen, werden per dag ingehuurd en per dag betaald. Het gebeurde wel dat ze in de ochtend begonnen te werken en Annamalai wist dat er geen geld was om ze ’s avonds te betalen. Op de één of andere wonderbaarlijke wijze kwamen er in de loop van de dag dan toch genoeg donaties binnen om de bouwvakkers die avond hun geld te kunnen geven.

Ook op andere momenten in zijn leven geeft Annamalai blijk van een groot vertrouwen in zijn meester en in het universum. Op een dag is zijn werk in de ashram, met instemming van Ramana, ten einde, en hij besluit om de ashram te verlaten en in Palakottu te gaan wonen. Dat was een plek, niet ver van de ashram, waar verschillende volgelingen hutjes en kleine huisjes hadden gebouwd en zaten te mediteren. De regel was echter dat wie in de ashram woonde en werkte, in de ashram te eten kreeg. Maar wie de ashram verliet moest voor zichzelf zorgen. Op een dag verlaat hij dus de ashram en loopt in de richting van Palakottu, terwijl hij geen idee heeft waar hij moet wonen of hoe hij aan geld voor eten zou kunnen komen. Terwijl hij daar loopt komt hij een andere volgeling van Ramana tegen die zegt: “Ik ga weg voor een maand, hier heb je de sleutel van mijn huisje, je mag er deze maand wonen.” Zijn eerste probleem is (voorlopig) opgelost. De volgende ochtend komt er iemand met eten; die blijkt gestuurd door een rijke Westerse volgeling in de ashram, die besloten heeft om Annamali iedere dag wat eten te sturen en zo in zijn levensonderhoud te voorzien.

Het begin gaat dus goed, maar er komen ook andere, moeilijker tijden; bijvoorbeeld als de rijke volgeling stopt met het geven van eten. Hij krijgt van bhagavan echter de instructie dat hij nergens om mag vragen, dat hij ook niet mag gaan bedelen, maar moet wachten tot hij iets krijgt... En dat blijkt ook altijd weer te gebeuren. De vijftig jaar die hij in Palakottu gewoond heeft, heeft hij altijd een dak boven zijn hoofd gehad en altijd genoeg te eten.

Over het vertrouwen dat een dergelijke levenshouding vraagt, zegt Annamalai Swami:

“Mijn leven met Bhagavan leerde me de waarde van vertrouwen, gehoorzaamheid en overgave. Als ik Bhagavan’s woorden gehoorzaamde, of volledig vertrouwen had dat hij voor mijn spirituele en fysieke behoeften zou zorgen, dan ging alles goed. (...) De lessen van het leven hebben mij zo de waarde en de noodzaak van volledige overgave geleerd.”2

*****

De overgave van Annamalai Swami heb ik niet, maar ik heb in mijn Zen training wel vergelijkbare situaties mee gemaakt en ook deze koppige en eigenwijze Nederlander heeft daar toch wel iets van geleerd.

In de sesshins met Genpo Roshi op De Tiltenberg, in de jaren ’80 en ’90 van de vorige eeuw, kreeg ik vaak de rol van gastheer toegewezen. Dat betekende dat ik alle deelnemers bij de deur moest ontvangen, welkom heten en een kamer wijzen. Als er praktische problemen waren in de kamers, kapotte douche, licht werkt niet, enzovoort, dan kwamen ze bij mij. De sesshins van Genpo Roshi duurden vaak tien dagen. Sommige mensen kwamen alle tien dagen, maar velen kwamen alleen de eerste vijf of de laatste vijf dagen, en het was ook mogelijk om alleen een weekend te komen. Het was dus nogal een komen en gaan van mensen.

De oudere studenten van Genpo Roshi hanteerden daarbij het principe dat ze altijd onverwacht naar de sesshin konden komen, gewoon omdat ze nu eenmaal “senior students” waren. Genpo Roshi hanteerde het principe dat iedereen altijd welkom was in de sesshin. Die twee principes sloten naadloos op elkaar aan, maar ze botsten soms met de werkelijkheid, simpelweg omdat er geen slaapplaatsen meer beschikbaar waren. Dat probleem mocht ik dan oplossen.

Ik weet niet meer hoe veel slaapplaatsen De Tiltenberg precies tot zijn beschikking had; ik geloof een stuk of zestig. Dat hadden we, in overleg met De Tiltenberg, al weten op te rekken tot vijfenzestig, door wat ‘de huiskamer’ werd genoemd, ook te gebruiken als slaapkamer, door er twee matrassen neer te leggen, en een paar bezemkasten leeg te maken en daar ook matrassen neer te leggen. De rek was er dus wel uit. In de zendo slapen was door de brandweer verboden en de mensen van De Tiltenberg werden furieus als ze ons daarop betrapten, dus dat was geen optie.

Soms ging ik ’s avonds naar bed en dan dacht ik: morgen gaan er tien mensen weg en komen er veertien bij. Hoe ga ik dat oplossen? De volgende ochtend kwam er dan iemand naar mij toe die zei: “Het spijt me heel erg, maar ik moet de sesshin verlaten, mijn moeder is overleden.” Terwijl ik die persoon condoleerde dacht ik in mijn achterhoofd: weer een bed beschikbaar. Op de een of andere wonderbaarlijke wijze kwam het altijd goed. Terwijl ik in het begin nog wel eens op mijn kussentje zat te tobben waar ik in ’s hemelsnaam vier extra slaapplaatsen vandaan zou moeten toveren, groeide in de loop der jaren wel het vertrouwen dat het Universum er voor zou zorgen.

Moraal van dit verhaal: of het nu om loon voor arbeiders, eten of slaapplaatsen gaat, het komt altijd goed. En als het niet goed komt dan komt het ook goed.

Meindert Seiju

  • 1. *Sri Ramana Maharshi, Gesprekken, opgetekend door Paul Brunton en Munagala Venkataramiah, Uitgeverij Ankh-Hermes, 2002, blz. 14. Oorspronkelijke titel: Conscious Immortality.
  • 2. **Living by the Words of Bhagavan, David Godman, Published by Sri Annamalai Swami Ashram Trust, Palakottu, 1994, blz. 209. Vertaling MvdH