Het begin is het einde is het doel

Zen-Virus 12

Terwijl deze week Mahler ’s muziek elke dag onze woning binnen stroomt, denk ik steeds aan Anton Bruckner. Dat heb ik vaker. Loop ik door Appie Heijn om appels te kopen, kijk ik ook hoe de peren erbij liggen. Zo werkt de geest. Maar ik moet ook aan Bruckner denken omdat Cornelia Wierenga bij de traditionele, muzikale afsluiting van de sesshin in Vught, ons uitnodigde te luisteren naar zijn negende symfonie, althans het tweede en derde deel, het scherzo en adagio.

Het was zijn laatste, ‘der liebe Gott’ gewijd. Hij componeerde het met de dood voor ogen. Hij was al langere tijd ziek. Omdat hij wist dat zijn dood nabij was, had hij zijn testament laten opmaken en gevraagd om het Laatste Sacrament. Zijn compositie vorderde maar langzaam. Behalve de last van zijn gezondheid en ouderdom, leed hij onder de slechte kritieken, die na de eerste uitvoering van zijn achtste symfonie over hem heen walsten.

Op het laatste college dat hij gaf, zei hij tegen zijn studenten: ‘Drie delen van mijn Negende symfonie zijn al klaar, de eerste twee al volledig, alleen in het derde deel moet ik nog wat nuanceren. Met mijn symfonie heb ik mij nog een zwaar werk opgelegd. Ik had het niet moeten doen, gelet op mijn hoge leeftijd en mijn ziekelijkheid. Om te spelen zal de symfonie niet makkelijk worden. Het adagio wat erin voorkomt moet het mooiste zijn dat ik geschreven heb. Het grijpt mij steeds aan als ik het speel.’ En omdat hij voorvoelt dat hij het niet zal voltooien, voegt hij eraan toe dat het Te Deum als vierde deel moest worden gebruikt.1

Onder andere naar aanleiding van deze machtige lofprijzing van de Heer schreef Martinus Nijhoff deze dichtregels over ‘Anton Bruckner’:

Een groot verdriet in ’t ernstig profiel
Dat neerwaarts keek, en machteloze handen.
Maar als hij riep, dan daverden de landen
En was ’t alsof een vuist op aarde viel.2

En waarachtig! Bij het scherzo hoor je Bruckner staan voor de hemelpoort. Dansend, springend, kloppend op de deur, zingend: ‘Heer, ik ben naar U toegekomen, lieve Heer, hier ben ik!’ En zodra het adagio, misschien het mooiste adagio uit de muziekgeschiedenis, staat hij in de hemel en kijkt rond, verbaasd, kinderlijk verwonderd. Hij kan zijn ogen niet geloven. De verbazing wordt geblazen door een steeds opnieuw opstijgend koper, dat weer afdaalt naar stille verwondering, die zacht en vredig verder zingt. Hier is alles anders dan de wereld.

Sergiu Celibidache

Eén van de grootste Bruckner dirigenten is Sergiu Celibidache (1912-1996). Roemeen van geboorte, heeft hij alle grote Europese orkesten gedirigeerd maar met name in zijn laatste jaren de Münchner Philharmoniker. Na de oorlog maakte hij met de Berliner Philharmoniker naam als plaatsvervanger van Furtwängler die wegens nazisympathieën een beroepsverbod had gekregen. Toen Furtwängler weer mocht aantreden, maakte Celibidache zonder moeite plaats voor hem. Hij beschouwde Furtwängler als één van zijn belangrijke leraren. Na de dood van Furtwängler koos het Berlijnse symfonieorkest voor de flamboyante von Karajan tot ergernis en woede van Celi. Pas jaren later heeft hij op voorspraak van de president Weiszäker nog een keer voor het orkest gestaan.

Hij was tegen de commercialisering van de muziek, wenste geen handtekeningensessies, was tegen grammofoonopname: ‘De microfoon hoort niet wat jij hoort.’

Hoe Celi dirigeerde is te zien op diverse YouTube-films. Kaarsrecht, volkomen op zijn gemak en zelfverzekerd, in de rechterhand een flinterdun dirigeerstokje dat scherp en feilloos de maat slaat en de linkerhand die het gevoel vertolkt en met priemende wijsvinger wijst naar de musicus die zich nu moet laten horen. Hoe hij de linkerarm uitstrekt en met open hand de hoorns, de tuba’s en de trompetten uit zijn handpalm laat klinken. Hoe zijn armen in een grote boog omhoog zwaaien. Nooit theatraal, wekken zij de volheid van de orkestrale klank. En dan die ogen, die geen noten op een partituur zien, en ook geen instrumenten, maar een sfeer uitdrukken van transcendentie. Muziek en orkest lijken in zijn wat gezette buik te zitten. Hij staat als de rust zelve. Muziek, orkest en dirigent vallen in dit toonaangevende lichaam samen. Het ziet eruit en klinkt als vanzelfsprekend. Alsof het niet anders kan. Het moet zo zijn. Het grootste compliment na een uitvoering kreeg hij van iemand die zei: ’Maestro, Zo is het. Dank U wel!’.

Op de repetities mochten altijd toehoorders aanwezig zijn. Hij was strikt, precies, maar geen dictator. Vaak schudde hij hoofd, maar evenals tijdens een uitvoering kon er een weldadige glimlach op zijn gezicht verschijnen, als het klonk zoals hij hoopte. Tot zijn leerlingen zei hij vaak: ‘Ik ben geïnteresseerd in jullie zwakheden en fouten. Daar leer je het’. En hoe zwaar dat soms ook kon vallen, een leerling, later ook dirigent, vertelt hoe ‘verschrikkelijk’ leerzaam dit was.

Overigens zei hij ook tegen een leerling, die veel te aarzelend speelde: ‘Weet, jij alleen bent de waarheid.’ Zijn zoon Serge maakte een prachtige documentaire over zijn vader, ‘The garden of Celibidache’. In het interview vroeg hij hem: ‘Hoe is muziek mogelijk? ‘Zijn vader antwoordde kortweg: ‘Jij bent muziek!’

Zijn liefde voor de muziek gold ook voor de musici. Hij sprak hen altijd aan met hun voornaam. Zijn repetities waren berucht om hun lengte. Elke maat werd uitgemeten. Repetities waren, in zijn woorden, slechts reeksen van aaneengeschakeld ‘nee’: niet zo, niet te hard, niet te zacht, niet te snel, niet te langzaam, duizendmaal ‘nee’ tot een eenmalig ‘ja’, wanneer muziek zichzelf toont.’ De repetitie als een via negativa.

De gelijktijdigheid van alle dingen

Celi vertelt: ‘Een belangrijk moment in mijn leven gebeurde tijdens een concert in Venetië. Ik was vierenveertig jaar oud. Tijdens de uitvoering van de muziek had ik een overweldigende ervaring. Ik ervaarde direct de gelijktijdigheid van alle dingen. Ik kon het niemand uitleggen. De volgende dag wilde ik tijdens het concert dit herhalen. Maar dat ging niet.’

Celibidache was behalve dirigent een bijzonder theoreticus van de muziek. Hij had naast wiskunde en musicologie ook filosofie gestudeerd. Hij sloot zijn studie af met een werkstuk over de Frans-Vlaamse componist Josquin des Prez (ca.1450-1521). Tijdens zijn universitaire studie in Berlijn had hij diepgaand kennis gemaakt met het Zen-Boeddhisme dankzij zijn leraar Martin Steinke.

Vandaar zijn opmerkelijke uitspraken: ‘Wat is werkelijkheid? Er is geen definitie van muziek. Muziek ligt buiten het denken’.

Of deze: ‘Er is geen traditie. Er is slechts ontdekking en ervaring. Kennis is gebonden aan het verleden. De werkelijkheid kan niet geïnterpreteerd worden. Vind de werkelijkheid achter de noten.’ ‘Je kunt niets anders doen dan het te laten gebeuren. Je laat het ontstaan, maar je doet zelf niets, een wonderbaarlijk ontstaan, zeer actief en tegelijk volkomen passief. Men wil niets.’ Opgetekend werden ook de volgende woorden: ‘Al wat ik kan zeggen is, dat ik zonder Zen nooit de ervaring van dat wonderlijke fenomeen zou hebben dat in het begin het einde is. Muziek is niets anders dan de realisatie van dit princiep.’

Het jaartal heb ik niet kunnen vinden, maar hij is ooit met de Münchner Philharmoniker naar Japan gereisd.3 Zij bezochten onder andere de Amida Boeddha in Kamakura. Hij was onder de indruk van een gesprek met een oude monnik, die op zijn beurt zich verbaasde over de kennis die zijn Europese gesprekspartner had van de Rinzai school. Op een persconferentie werd hem gevraagd: ‘We weten dat de maestro zeer geïnteresseerd is in Zen. Is er enig verband tussen de muziek van Bruckner en Zen?’

Zijn antwoord: ‘In Zen voelt men intuïtief dat het begin leidt naar het einde, als men het probeert te verklaren. Maar Zen kan niet verklaard worden. Het moet ervaren worden zonder een verklaring. Wanneer de student aan zijn Meester vraagt: Wat ligt achter die muren van denken, antwoordt de Meester: de werkelijkheid. Denken heeft hier geen toegang… Iedereen die het begin in het einde en het einde in het begin heeft ervaren, heeft de tijd overwonnen – Bruckner heeft dat en de Zenmeester heeft dat. De relatie tussen zen en werkelijkheid is gelijk die van klank en muziek. Muziek kan niet gedefinieerd worden. Klank kan muziek worden. Maar wanneer klank wordt waargenomen als muziek – wat is muziek? Muziek, evenals Zen, is geen intellectueel fenomeen, men kan het niet definiëren. Zen is pure ervaring, het moment waarop het intellect zijn kracht verliest. In het alledaagse leven hebben velen van ons zen-momenten, zen-reacties, zonder het te weten. We leven in een zeer materialistische wereld en we zijn geneigd altijd alles te reduceren tot logische relaties. Maar Zen gaat niet over logica. Zen gaat over waarlijk zijnde, en waarlijk is wat je authentiek zal ervaren.’

'Alles is vibratie'

Zen was voor Celibidache als een vuurtoren, een baken van muzikale inspiratie en leiding. Van afkomst was hij een Grieks Orthodox christen. Met dit geloof kon hij niet zoveel meer. Maar hij noemt zichzelf zeer religieus : ‘Ik geloof in één centrale kosmische vibratie waarmee we voortdurend in contact zijn. Noem het God als je wilt. Alles is vibratie.’
Hij herinnerde zich later hoe vaak hij in Japan had gehoord: ‘Allereerst probeer jezelf te vergeten en vertrouw op je ware stemloze, nonverbale stem. Luister naar het woordloze onderricht, luister niet naar de woorden.’ En Celi werd nooit moe eindeloos te herhalen: ‘Om Bruckner’s muziek recht te doen, vergeet jezelf, je ego. En als je voelt dat je iemand bent, moet je nog langer oefenen.’

In Kamakura hadden ze een demonstratie boogschieten meegemaakt. Celi probeerde zelf de boog. Hij was ontroerd toen men hem de bogen toonden waarmee Herrigel geoefend had. Het boek De kunst van het boogschieten had hij vele malen gelezen. Herrigel vertelt over zijn vier jaar lange training bij een kyudo meester. Over de grote lichamelijke inspanning, die natuurlijk moeiteloos gedaan diende te worden en wel samen met de ademhaling. Hoe hij leerde het schot te lossen en ook dat moeiteloos te laten verlopen. Toen dat steeds niet lukte, kreeg hij te horen:’ Het juiste schot op het juiste moment blijft uit, omdat U niet van Uzelf loskomt... De ware kunst is zonder doel, zonder opzet…. U heeft een veel te gewillige wil. U denkt, dat wat u niet zelf doet, ook niet gebeurt.’ Tijdens een vakantie had Herrigel een truc ontdekt, waardoor het leek alsof het schot zich bliksemsnel loste en ‘afviel als een sneeuwlast van een bamboeblad’ zoals zijn meester had genoemd. Toen hij echter zijn ‘kunst’ aan de meester presenteerde, had deze de list onmiddellijk door en werd vreselijk kwaad. Hij weigerde hem verder les te geven. Pas na enige bemiddeling van een Japanse vriend kon Herrigel weer naar de les terugkeren, Niet veel later gebeurde er dit, het hoogtepunt van het boek:

En zo werd weer van voren af aan begonnen, als was al wat tot dusver geleerd was, onbruik­baar geworden. Maar het onopzettelijke ver­blijven in de hoogste spanning mislukte nog steeds, alsof het onmogelijk was het ingesleten spoor te verlaten.
 
Op een dag vroeg ik daarom aan de Mees­ter: ‘Hoe kan het schot dan eigenlijk gelost worden, als ik het niet doe?’
‘Het schiet’, antwoordde hij.
‘Dat heb ik reeds enige malen van u gehoord, ik moet dus mijn vraag anders formuleren: hoe kan ik nu zelfvergeten op het afschieten wachten als ik er helemaal niet meer aan te pas moet komen?’
‘Het blijft in hoogste spanning.’
‘En wie of wat is dit het?
‘Als u dit eenmaal begrijpt, hebt u mij niet meer nodig. En als ik u op het spoor zou willen brengen en u daarmee de eigen ervaring be­spaarde, zou ik de slechtste van alle leermeesters zijn en verdienen te worden weggejaagd. Laten we er dus niet meer over spreken, maar oefenen!’
Weken gingen voorbij, zonder dat ik ook maar een stap verder kwam. Maar wel consta­teerde ik, dat dit me helemaal niet raakte. Had ik dan genoeg van de hele kunst? Of ik ze leerde of niet, of ik ervoer wat de Meester met het bedoelde of niet, of ik de toegang tot Zen vond of niet - dit alles leek me ineens zo ver weg, zo onverschillig geworden, dat het me niet meer kon deren. Vaak nam ik me voor bij de Meester mijn hart uit te storten, maar als ik dan voor hem stond, begaf me de moed; ik was overtuigd van hem toch niets anders te horen te krijgen dan het overbekende: ‘Vraag niet, oefen!’ Dus liet ik het vragen achterwege en het liefst zou ik ook het oefenen hebben nagelaten, als de Meester mij niet zo onverbiddelijk in zijn greep had gehad. Ik leefde van de ene dag in de an­dere, vervulde zo goed het ging mijn beroeps­plichten en leed er tenslotte niet eens meer on­der, dat alles waarvoor ik mij jaren achtereen voortdurend had ingespannen, me nu onver­schillig was geworden.
Toen, op een dag, na een schot, maakte de Meester een diepe buiging en brak de les af. ‘Zoeven heeft het geschoten", riep hij uit, toen ik hem onthutst aanstaarde. Toen ik einde­lijk begrepen had wat hij bedoelde, kon ik de plotseling uitbarstende vreugde daarover niet onderdrukken.
‘Wat ik gezegd heb’, berispte de Meester, ‘was geen lofprijzing, alleen een constatering die u niet mag raken. Ik heb ook niet voor u gebogen, want u bent in het geheel niet debet aan dit schot. U bleef dit keer geheel zelfvergeten en bedoelingloos in de hoogste spanning, toen viel het schot van u af als een rijpe vrucht. Oefen nu verder, alsof er niets gebeurd was.’4
Eugen Herrigel
Eugen Herrigel, de kunst van kyudo, boogschieten

 

Het boekje heeft in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw een grote rol gespeeld bij beginnende zenleerlingen. Voor Joke was het een openbaring. En niet alleen omdat de beschreven oefenwijze met de boog toepasselijk en behulpzaam is voor het studeren met een muziekinstrument, maar ook omdat het boek een wijze van leven ter sprake bracht, waar zij intuïtief naar op zoek was. Vóór ze in de het meditatiecentrum de Kosmos op het kussen belandde, heeft ze aan aantal jaren Kyudo beoefend, niet in Japan zoals zij aanvankelijk vreesde, maar gewoon in Zaandam. Joke deed het boekje cadeau aan een docente van het conservatorium. Die liet het aanvankelijk liggen. Maar zij bedacht zich: dit boekje heeft zij me niet voor niets gegeven. Zij las het en plaatste het boek daarna direct op de verplichte literatuurlijst van de muziekstudenten.

Luister naar Bruckner

Na verschillende uitvoeringen en interviews op YouTube beluisterd te hebben, bemerk ik dat Segui Celibidache mij ondertussen de oren gewassen heeft. Overigens een aan te bevelen gewoonte telkens opnieuw, voor je begint naar muziek te luisteren. Maar ik heb met dit luisteren een klein probleem. Het stemt mij treurig, wanneer het einde geklonken heeft. En elk opus mondt uit in een finale. Meestal kun je dit voelen aankomen. Maar ik heb de onvervulbare wens dat muziek nooit ophoudt. Ik zou graag leven met een voortdurende zee van muziek om mij heen. Dat het leven eindigt, daar kan ik vrede mee hebben, maar muziek zou nooit mogen eindigen. Ik houd dan ook van de grote, langdurige stukken: Mahler’s symfonieën duren gemiddeld 1 uur en 20 minuten; Bruckner’s pakweg 1 uur en 25 minuten; Bach’s Mattheuspassie ongeveer 2 uur en 45 minuten, dat begint al ergens op te lijken. Of zoals vorig jaar tijdens het Holland Festival: 16 uur lang ondergedompeld in Aus Licht van Karlheinz Stockhausen, verdeeld over drie dagen. Dat zet nog eens zoden aan de dijk.

Maar Celi heeft me op iets gewezen: jij luistert verkeerd. Jouw oren zijn verstopt met de verwachting van een eindpunt. Maar muziek eindigt niet. Luister naar Bruckner. Het is waar. Tijd komt bij hem op het einde. En hoe! Al zijn apotheotische eindes zijn de hoop op een andere wereld, de hoop verlost te zijn, van opnieuw gedoopt te zijn in het Licht. Maar dit moet je beleven. Niet bedenken als een einde. Het is iets groots!

Het begin is het einde is het doel, een tantrisch gezegde. Maken we dan geen vorderingen op de weg? Zeker. Maar op de wijze van een spiraal, een wenteltrap. Wanneer we beginnen met onze spirituele beoefening, stijgen we enigszins omhoog, maken een ronde tot we boven het begin komen en weer verder stijgen. We ontwikkelen ons vanuit het blijvend aanwezige beginpunt, vanuit een eeuwig NU.

Bronnen

Serge loan Celibidachi, The Garden of Celibidache, YouTube.
Bruckner 4th, one of best the symphonic endings. Celibidache en de Münchner Philharmoniker 1983, YouTube – zoals Celi hier de finale dirigeert!
Jan Schmitt-Garre, Celibidache, ‘You don’t do anything – you let it evolve’, YouTube.

  • 1. Cornelis van Zwol, Anton Bruckner 1824-1896, leven en werken, Uitgeverij Toth, Bussum, 2012, p. 597.
  • 2. Martinus Nijhoff, Lees maar, er staat niet wat er staat, keuze uit de oorspronkelijke gedichten vooraf gegaan door een beschouwing ‘Over eigen werk’, Bert bakker/Daamen N.V. Den Haag, 1960. P. 39
  • 3. Eric Schoones, Walking in the mountain track, the zen way to enlightened musicianship, Agreeable Place, 2017, p. 17 vv.
  • 4. Eugen Herrigel, Zen in de kunst van het boogschieten, De Driehoek, Amsterdam, [z.j.] p.60/61.