Beoefening in moeilijke tijden

Uit: De weg van de mens

Genpo Roshi

Moeilijke tijden, persoonlijk of mondiaal, geven ons altijd de kans om ons inzicht in de dharma te testen en te kijken in hoeverre we de Boeddha´s leer leven. Maar mondiale problemen wekken ook onze neiging om in slaap te dommelen, om onze oren dicht te stoppen om zo het geluid van de wereld niet te horen. Op deze manier negeren we onze verantwoordelijkheid om met wijsheid en compassie te antwoorden. Overweldigd door het dagelijks nieuws van de tragedies en gruwelijkheden in de wereld, ontdekken we dat we onszelf in slaap hebben gesust in een soort slaperige onthechtheid. Soms is er een vreselijke ramp nodig, of een persoonlijke crisis om ons wakker te schudden. Een manier om meer bewust van en gevoelig voor het leed in de wereld te worden is om echt na te denken over de nieuwsberichten die we horen en ons te verplaatsen in de degenen die lijden. Vanuit het bewustzijn en het inzicht die voortkomen uit deze beoefening kunnen we onderzoeken hoe goed we onze beoefening in de praktijk brengen. Belichamen we werkelijk de compassie van Kanzeon Bodhisattva, of blijven we slechts hangen in onze ideeën over wat het betekent om het ontwaakte leven te manifesteren?

De dharma geeft ons steun en richting in moeilijke tijden. We kunnen zeggen dat het een beoefening is in het omgaan met verandering. De Boeddha leerde dat niets blijvend is; alles is voortdurend in verandering. Vervolgens leerde hij ons hoe te stoppen met verzetten tegen verandering en om er in plaats daarvan één mee te worden. Onze beoefening helpt ons te leren hoe het verleden los te laten en onszelf te openen voor het huidige moment. Dat betekent niet noodzakelijkerwijs dat we ons beter zullen voelen, maar het betekent wel dat we zullen zien wat er werkelijk gaande is; we zullen onze reacties op alle veranderingen opmerken. Gedachten, emoties en herinneringen kunnen opkomen, en die dragen vaak bij aan ons lijden. De basis leer van zen is om ‘één te zijn met’ – wat er ook opkomt. Dus als we angst voelen, dan proberen we daar niet voor weg te lopen of het te onderdrukken; we ervaren gewoon de angst. Door één te zijn met onze angst, zien we dat deze ook vergankelijk is. We kunnen deze zien opkomen, toenemen en uiteindelijk zien verdwijnen. Onze taak is om wakker te zijn en aanwezig en alles te ervaren. Op deze manier leren we mee te bewegen met verandering.

Het kan hard lijken, dat vergankelijkheid de eerste leerstelling was van de Boeddha. Onze cultuur neigt ernaar om de realiteit van dood en verlies toe te dekken, en veel van ons hebben van jongs af aan geleerd om onze eigen vergankelijkheid te negeren. Maar vroeg of laat wordt ieder van ons met de dood en verlies geconfronteerd op manieren die ons wakker schudden. Dan kunnen we de compassie in de leer van de Boeddha zien. Compassie heeft, net als wijsheid, twee aspecten – yin en yang, vrouwelijk en mannelijk – en soms is compassie nogal hard. Ik voel me bijvoorbeeld vreselijk als mijn hondje zich probeert te ontworstelen aan haar riem. Ik hou nergens meer van dan haar los te laten in het park en haar vrij rond te zien rennen – het geeft haar zoveel plezier. Maar rondom drukke straten getuigt het van compassie om haar aangelijnd te laten. En als ze per ongeluk loskomt en de straat op rent, dan moet ik schreeuwen om haar te stoppen – anders luistert ze niet. Naar haar schreeuwen is op dat moment een daad van compassie. Op een ander moment is het meer compassievol om haar te prijzen.

Boeddha’s leer van vergankelijkheid is een oproep vol compassie; het helpt ons om in het huidige moment te blijven en bewust te zijn van de kostbaarheid van het leven. Als het leven heel soepel loopt dan neigen we ernaar de dingen als vanzelfsprekend te nemen. Crisissen kunnen eigenlijk heel nuttig zijn voor onze beoefening, omdat ze ons wakker schudden. Maar zelfs na hele grote crisissen hebben we nog de neiging om in te slapen en om terug te keren naar genoeglijkheid. Veel leraren hebben deze situatie vergeleken met oorlog: een oorlog tussen wakker en bewust zijn aan de ene kant en ingeslapen en niet bewust zijn aan de andere. Het is in wezen een oorlog tussen boeddhageest en onwetendheid. Als we onze boeddhanatuur gerealiseerd hebben, dan wordt het ook onze taak en verantwoordelijkheid om op hen die lijden te antwoorden met de compassie van Kanzeon bodhisattva. In zencentra reciteren we de vier geloften. De eerste, Hoe talloos de levende wezens ook zijn; ik beloof ze allen te bevrijden, is de gelofte van de bodhisattva. We beloven om bewust te blijven van alle levende wezens in de wereld, om ons te herinneren dat ze niet van ons gescheiden zijn. Hoe kunnen we smeekbedes van de wereld negeren?

Als Kanzeon antwoorden betekent antwoorden op een manier die passend is bij de situatie. Dit kunnen we alleen doen als we volledig bewust zijn van wat er in het moment gebeurt, dus moeten we open en ontvankelijk zijn voor de details van elke specifieke situatie. Het beste antwoord is niet altijd wat we in ons hoofd hadden of wat we van plan waren. Het beste antwoord moet komen van gezond verstand gecombineerd met wijsheid en compassie. Denk aan brandweermannen die brandende gebouwen binnenrennen om anderen te redden. Zij reageren in het moment op onbaatzuchtige wijze. Zij zijn Kanzeon, handelend met de onbaatzuchtige compassie die voortkomt uit wijsheid.

Kanzeon bodhisattva is iemand die ervoor kiest onbaatzuchtig te antwoorden op het lijden van de wereld. Zij is in staat om zich in elke vorm die nodig is te manifesteren, om degenen die lijden te bevrijden; daarom neemt ze voor degenen die lijden de vorm van lijden aan. Onze beoefening is om één te worden met wat het ook is. Als we angst voelen, dan is het onze beoefening om de angst te zijn. Er is niets mis met bang zijn; we leven in een beangstigende tijd. Als we bewust blijven, kunnen we onze eigen angst of de angst die de wereld doordringt, niet ontkennen. Door ons open te stellen voor onze angst, raken we vertrouwd met de mechnismen ervan, die altijd geworteld zijn in dualistisch denken. We zijn bang voor dingen die gescheiden van onszelf lijken te zijn, buiten ons lijken te bestaan. We gebruiken de beoefening dus om de illusie van gescheidenheid af te breken. Vanuit het verlichtte perspectief van hart-geest, kunnen we zien dat wat gescheiden lijkt, in werkelijkheid is als golven in de oceaan. De gescheidenheid is slechts oppervlakig gezien waar. Daaronder is alles één oceaan. Als we het lijden van de wereld willen helpen verlichten, dan hebben we de wijsheid nodig om te zien dat we één lichaam-geest zijn. Dan komen onze antwoorden voort uit ware compassie.

Vandaag de dag manifesteert Kanzeon zich in vele nieuwe vormen waaronder wegen om de dharma te beoefenen. De mogelijkheid om op de hoogte te zijn van gebeurtenissen aan de andere kant van de wereld daagt ons uit om op nieuwe manieren te antwoorden. De afgelopen vijfentwintighonderd jaar, was het monastieke leven de dominante vorm van beoefening. In ons huidige tijdperk, geloof ik dat het hele paradigma van beoefening openbreekt, met name met betrekking tot de vormen van beoefening voor leken. Traditioneel werden alleen monniken en nonnen getraind om diensten te leiden en onze beoefening en zijn verdiensten aan het welzijn van alle wezens op te dragen. Dit is een tijd, geloof ik, waarin we allemaal moeten leren deze instrumenten te gebruiken. We moeten bekrachtigd worden om op een sacrale manier met het leven om te gaan. Waarom zouden we niet iedereen leren hoe je voor anderen te bidt en hoe je verdiensten opdraagt met behulp van de rituelen uit onze traditie?

Om als Kanzeon te kunnen handelen, moeten we de leer werkelijk horen en tot ons nemen. Iedere dag zijn we getuige van de eerste edele waarheid: het leven is lijden. Vanuit dat bewustzijn ontstaat het verlangen om de oorzaak van lijden te begrijpen en verlangen we naar het einde van lijden. Door onze eigen beoefening bevestigen we de tweede edele waarheid: de oorzaak van lijden is onwetendheid, begoocheling. Omdat we de dingen dualistisch zien, klampen we ons vast aan het idee van zelf en ander. Het resultaat is altijd hechting, begeerte en vastklampen. Door zazen zijn we in staat om door de illusie van het zelf de absolute waarheid dat we allemaal één zijn te zien. We zijn één geest, één leven, één lichaam, de talloze dharmas manifesterend.

Onwetendheid veroorzaakt ons persoonlijke lijden, en we zien dat dit ook zo in de wereld werkt. Ongelofelijk veel lijden komt voort uit ons onvermogen om te zien dat we allemaal één zijn. Als bodhistattvas kan onze zorg niet beperkt blijven tot onszelf en ons persoonlijk lijden; we moeten het leed van de wereld op ons nemen. We zijn één! Dus wat betreft de derde edele waarheid, dat er bevrijding en vrijheid van leed is, kunnen we geen genoegen nemen met een zelfzuchtig interpretatie daarvan. Dat we vrij zijn van lijden betekent niet dat we ons op de een of andere manier scheiden van lijden; het betekent dat we vrij zijn en bevrijd worden in ons lijden. Door beoefening ervaren we zelf dat nirvana niet buiten dit leven ligt, buiten onze dagelijks ervaring. Bevrijding vind plaats te midden van samsara – onze pijn, verdriet, verwarring en angst – als we in staat zijn om volledig één te worden met onze ervaring. Nirvana betekent volledig vrij zijn om te lijden.

Boeddha leerde dat de middenweg de manier is om een einde aan het lijden te maken, de vierde edele waarheid. We moeten onthouden wat midden betekent. De middenweg transcendeert dualiteit. Het gaat voorbij ideeën van mij en jou, ons en hen, goed en kwaad, dit en dat. Ons leven is de middenweg; we belichamen het volledig. Ieder van ons is in staat tot goed en kwaad, en elk kwaad dat iemand kan doen is ook in ieder van ons aanwezig. We kunnen de vijand niet gewoon maar naar buiten projecteren; we moeten zien dat diezelfde vijand binnenin ligt. Met onze beoefening verlichten we de duistere, schimmige plaatsen verborgen in onszelf en in de wereld.

We voeren een oorlog. De hele wereld voert oorlog tegen de tijd en tegen onze neiging om te vervallen in illusie en onwetendheid. Natuurlijk zal ieder van ons twijfels hebben over of we in staat zijn om te volharden en door te gaan, vooral nu de wereldproblematiek zo onoverkomelijk lijkt. Maar als het aan mij ligt, is er geen betere tijd om in zazen te zitten dan nu. Ieder van ons heeft een rol, een taak om te doen. Ons werk beperkt zich niet tot het werken aan ons eigen ontwaken en het verdiepen van onze wijsheid en compassie, maar we moeten ook elkaar helpen en ondersteunen dit te ontwikkelen. Onze beoefening moet voorbij onszelf als individuen gaan. Dit is een tijd waarin we samen moeten komen – als koppels en families, als groepen en sangas, als land en als wereld – samen biddend, samen mediterend, onze meditatie en verdiensten offerend, onze recitatie van de soetras en gebeden offerend. Door samen te komen kunnen we de effecten van onze inspanning vergroten om tegenwicht te bieden aan de negativiteit in de wereld. Het leven laat ons steeds weer zien dat er helemaal geen grenzen zijn, waarom dan onze beoefening beperken?

Soms raken we ontmoedigt door ons onvermogen om een verschil te maken in de wereld. Mogelijk betwijfelen of we iets zinvols te bieden hebben. Maar we moeten de kracht van onze zazen niet onderschatten. Bodhidharma ging naar China omdat hij daar iets te doen had: hij had zich erop toegelegd om de dharma naar de mensen daar over te brengen. Hij was op dat moment de enige persoon ter wereld die bekrachtigd was om de dharma voort te zetten. Toch werd hij al na één interview met de keizer weggestuurd als een bedrieger. Gaf hij op? Echt niet! Bodhidharma vond een grot en zat negen jaar in zazen totdat er eindelijk iemand kwam die de dharma kon horen. In zazen zitten was niet slechts een manier om de tijd te doden. Bodhidharma vertrouwde volledig in de kracht van meditatie. Alleen in zijn grot gaf Bodhidharma negen jaar lang de leer door via zijn zazen! En dankzij de kracht van zijn vertrouwen, bestaat de leer zestienhonderd jaar later nog steeds.

Omdat zazen onze praktijk is, kunnen we het altijd offeren aan de wereld en alle wezens. Iedere keer dat we zitten, kunnen we de verdiensten en de positieve energie die we genereren offeren. Als we er klaar voor zijn, kunnen we ook een meer gevorderde beoefening genaamd tonglen opnemen in onze meditatiesessies. De tibettaans-boeddhistische tradities hebben specifieke technieken en richtlijnen ontwikkeld voor tonglen-beoefening; in het kort komt het er op neer dat we de negatieve energie van de wereld in ademen en de positieve energie die we opbouwen door in samadhi te zitten uit ademen. Dus in plaats van muren van weerstand tegen de pijn en het leed in de wereld op te werpen, openen we onszelf om het te omhelzen en te transformeren. Op deze manier kunnen we de wijsheid en compassie die we hebben gecultiveerd door onze beoefening offeren aan de wereld.

Geef al je verdiensten weer weg, zo snel als je het kunt offeren. Dit is het niet het moment om alleen met je eigen beslommeringen bezig te zijn. We kunnen deze bewogen tijden gebruiken om niet alleen onszelf, maar de hele planeet te laten ontwaken. We zijn één lichaam, één geest! We kunnen onze zazen inzetten om ons eigen lijden en het lijden van anderen te omhelzen. En als we de verdiensten van ons zitten kunnen offeren aan alle levende wezens, dan delen we het licht van de dharma met de wereld. We transformeren negatief in positief voor het welzijn van alle wezens.

Uiteraard is beoefenen om je eigen realisatie te verdiepen belangrijk, en als we dat als doel hebben betekent dat niet dat we tegen onze bodhisattvagelofte van zelfloosheid ingaan. In feite is dana paramita het meest directe pad naar realisatie en naar de wijsheid en compassie die gepaard gaan met deze realisatie. Dana betekent geven, genereus zijn. Paramita betekent oversteken naar de andere oever. Paramita betekent ook dat we al op de andere oever zijn. Het is een paradox. De snelste weg om ons te realiseren dat we al op de andere oever zijn is door onszelf weg te geven – door afstand te doen van ons egocentrische zelf zodat onze ware natuur kan worden geopenbaard. Onszelf weggeven aan onze meditatie is de meest directe weg om dit te realiseren. Boeddhanatuur reikt veel verder dan onze egocentrische zelven; het is één met de hele kosmos.

Wanneer we deze hart-geest voor onszelf realiseren, dan zien we dat wij ook één zijn met de hele kosmos. Dit leven dat iedereen ervaart als mijn individuele leven is een manifestatie van Boeddha, het ongeborene. Onze ware natuur is volslagen ongrijpbaar en verandert voortdurend. We worden ieder moment geboren en gaan ieder moment dood. Er is in werkelijkheid geen zelf om aan vast te klampen; dit zien is bevrijding. Eindelijk kunnen we het klampen aan onzelf loslaten, de illusoire ideeën over een permanent zelf.

De meest turbulente tijden zijn meestal het meest vruchtbaar voor beoefening omdat ze het onmogelijk maken om te ontkennen dat de toekomst echt onkenbaar is. We kunnen niet langer leven alsof iedere dag een gewone dag is, en niets is meer vanzelfsprekend, zelfs niet dat anderen er morgen ook nog zullen zijn. Het is alsof onze wereld op zijn kop is gezet. Als we op de rand van het onkenbare leven, dan wordt ieder moment een oproep om te ontwaken. We worden wakker geschud en uitgedaagd om in ieder moment bewust te beleven. We moeten ons iedere dag opnieuw toeleggen op onze beoefening – om ons begrip van de leer te verdiepen en om compassie te manifesteren in alles wat we doen. Beoefening is hier en nu, en het is aan ieder van ons om de wijsheid te leven die we hebben ervaren.

De problemen van de wereld van vandaag zijn nooit eerder voorgekomen. De toekomst van de hele wereld in ongekend, dus dit is niet de tijd om achterover te leunen. Niets is betrouwbaar of blijvend. Dit is een vreselijke waarheid, maar deze tot je nemen is de bevrijding die we zoeken. In feite is wat we dai kensho noemen, de grote dood, eenvoudigweg deze waarheid volledig slikken. Dan, als het leven ons vraagt: ‘Hé baas, ben je daar?’ Kunnen we net als Zuigan antwoorden: Ja, ik ben er!

Uit: Dennis Genpo Merzel 2003, The Path of the Human Being. Zen Teachngs on the Bodhisattva Way. Shambala Boston & London.
Vertaling door Marieke Heijman m.b.v. De weg van de mens. Zen en het pad van de bodhisattva. Vertaalt door Myriam van Gills 2007.