‘Het onbehagen in de cultuur’

18 dec 2017

Graag even aandacht voor Sigmund Freud. Hoewel de kritiek op zijn werk in de loop van de vorige eeuw flink is toegenomen – reductionistisch, al te zeer gebiologeerd door de biologie, onhoudbaar, want niet wetenschappelijk te verantwoorden – heeft Freud grote invloed gehad op ons denken, vooral met betrekking tot ons seksuele leven. Sommige van zijn ideeën vinden we bijna normaal, bijvoorbeeld: het belang van de kinderjaren voor de volwassenheid of de verborgen werkwijze van het onbewuste. En zijn psychoanalytische methode vormt in gewijzigde vorm nog altijd de grondslag van de psychotherapie. i
In 1931 schreef Freud ‘Het onbehagen in de cultuur’, een essay dat nog niets aan actualiteit heeft ingeboet. ii Hij begint met het beantwoorden op een brief van Romain Rolland: ‘Ik had hem mijn boekje gestuurd dat over de religie als illusie handelt, en hij antwoordde dat hij het met mijn oordeel over de religie geheel eens was, maar het betreurde dat ik de eigenlijke bron van de religiositeit niet naar waarde had geschat. Deze bron was volgens hem een bijzonder gevoel dat hem zelf nooit verliet, waarvan het bestaan hem door vele anderen was bevestigd en dat hij bij miljoenen mensen aanwezig mocht veronderstellen. Een gevoel dat hij de gewaarwording van de ‘eeuwigheid’ zou willen noemen, een gevoel als van iets dat onbegrensd, onbeperkt, als het ware ‘oceanisch’ was. Dit gevoel zou een zuiver subjectief feit zijn, geen geloofsartikel; het hing niet samen met de belofte van een persoonlijk voortbestaan, maar was wel de bron van de religieuze energie, die door diverse kerken en religieuze stelsels werd opgevangen, in bepaalde kanalen geleid en stellig ook volledig opgebruikt. Enkel vanwege dit oceanische gevoel mocht men zich religieus noemen, ook wanneer men ieder geloof en iedere illusie van de hand wees.’ iii
Romain Rolland wijst zijn vriend Freud op de mystieke ervaring en vraagt hem naar zijn mening hierover. Freud zegt dat hij deze ervaring niet kent, maar dat hij deze niet voor onmogelijk houdt. In enkele bladzijden zoekt hij naar de wordingsgeschiedenis van dit oceanische gevoel om te concluderen: ‘Het lijkt mij onweerlegbaar dat de religieuze behoeften herleid moeten worden tot de infantiele hulpeloosheid en daardoor het opgewekte verlangen naar een vader… Daarmee is de rol van het oceanische gevoel, dat misschien naar herstel van het ongelimiteerde narcisme streeft, naar de achtergrond gedrongen. De oorsprong van de religieuze houding kan men langs duidelijke lijnen traceren tot aan het gevoel van kinderlijke hulpeloosheid.’ iv
Met het oog op wat komen gaat, is Freud’s afwijzing van de mystieke ervaring zeer interessant. Zijn vraag is namelijk: waarom is er in onze hedendaagse cultuur (1930) zo’n een groot gevoel van onbehagen? Alle mensen maken aanspraak op geluk. We beleven sterke lustgevoelens en we verrichten grote inspanningen om geluk te verwerven. Freud somt op: vrijwillig isolement – denk aan celibatair, monastiek leven; het gebruik van bedwelmende middelen; (intoxicatie), sublimering door middel van wetenschapsbeoefening, kunst, schoonheidsidealen; of we richten ons op de liefde, het gezin en uiteraard seks; en natuurlijk wordt geluk gezocht in de religie. Maar ook al levert dit alles een enkel moment van geluk, de ontevredenheid wordt hiermee niet opgelost. Freud noemt ook de zegeningen van zijn tijd: de techniek, de motoren, de werktuigen, waarmee de mens zijn organen vervolmaakt; het schip, het vliegtuig, die zijn bewegingsvrijheid vergroten; de bril, de verrekijker, de microscoop, waarmee hij de grenzen van zichtbaarheid verruimt; en de zegeningen van de fotocamera, de grammofoonplaat, de telefoon, het woonhuis. Dat alles klinkt als een ‘sprookje’. ‘Het ideaal van almacht en alwetendheid, dat hij vroeger aan de goden toeschreef, heeft de mens zeer dicht benaderd en is zelf een god geworden. Zij het nog niet volmaakt, op sommige punten helemaal niet, op andere maar half. De mens is om het zo te zeggen een prothesengod geworden, heel groots wanneer hij al zijn hulporganen aan doet, maar zij zijn niet met hem vergroeid en bezorgen hem soms heel wat last. Overigens mag hij zich troosten met de gedachte dat deze ontwikkeling nu niet direct met het jaar 1930 A.D. afgesloten zal zijn. In een ver verschiet liggende tijden zullen nieuwe waarschijnlijk onverstelbaar grote vorderingen op dit gebied van de cultuur brengen en de godgelijkheid nog doen toenemen. In het belang van ons onderzoek zullen wij echter ook niet vergeten dat de huidige mens zich in zijn godgelijkheid ook niet gelukkig voelt.’ v
En hiermee zijn we ook in onze 21e eeuw aangekomen. We zijn nog meer de goden gelijk geworden. De luxe is toegenomen, in ieder geval in de Westerse landen, de technische mogelijkheden zijn vele malen groter geworden, de sociale media maken dat we overal aanwezig kunnen zijn, we beschikken over meer vrije tijd en we hebben zelfs kunnen genieten van een seksuele revolutie. En toch heerst er ‘onbehagen’.
Freud diagnosticeert: ‘Men kan onmogelijk over het hoofd zien hoezeer de cultuur op driftverzaking is gebouwd, hoezeer ze juist het niet-bevredigen (onderdrukken, verdringen of nog iets anders?) van machtige driften als premisse heeft. Deze ‘culturele ontzegging’ beheerst het uitgestrekte gebied van de sociale betrekkingen tussen de mensen; wij weten reeds dat ze de oorzaak is van de vijandigheid waarmee alle culturen te kampen hebben.’ vi ‘De waarheid achter dit alles, die men liever verloochent, is dat de mens geen zachtaardig wezen is dat liefde nodig heeft en zich hoogstens weet te verdedigen als het wordt aangevallen; in zijn driftleven is hij juist begiftigd met een enorme dosis agressie. Bijgevolg is zijn naaste voor hem niet alleen een potentiële helper en seksueel object, maar ook iemand die hem ertoe verleidt zijn agressie op hem uit te leven, zonder vergoeding te profiteren van zijn werkkracht, hem zonder zijn instemming seksueel te gebruiken, zich van zijn bezittingen meester te maken, hem te vernederen, pijn te doen, te martelen en te doden. vii
Behalve de inperking van het lustgevoel en de agressiedrift, noemt Freud ook de grootste bederver van het gelukkige leven: het schuldgevoel. Wij hebben torenhoge idealen zoals deze tot uitdrukking komen in de wereldberoemde eis ‘Gij zult uw naasten liefhebben als uzelf’. Bijna wanhopig roept Freud: ‘Waarom moeten wij dat? Wat schieten wij ermee op? Maar vooral: hoe spelen wij dat klaar?’ Wij torsen niet allen de verzaking van ons driften, er wordt ons ook een geweten opgelegd: het geweten is het gevolg van driftverzaking. Of: de (ons van buitenaf opgelegde) driftverzaking doet het geweten ontstaan, dat dan weer verdere driftverzaking eist. viii
Freud vat het mooi samen: : ‘Enerzijds druist de liefde tegen de belangen van de cultuur in, anderzijds bedreigt de cultuur de liefde met gevoelige beperkingen.’ ix

Het schuldgevoel ontstaat niet alleen onder invloed van de eisen van kerkelijke organisaties of wereldlijke autoriteiten. Het zou ook wel eens veroorzaakt kunnen worden door een weten tegen een innerlijke stem in te gaan. Terwijl van de buitenkant bezien alles in overeenstemming lijkt wat de wereld beveelt, wordt de innerlijke stem die tot een andere bestemming oproept, gesmoord. De wereld kent verleidingen en verlokkingen met een grote, bijna onweerstaanbare zuigkracht. En er is moed voor nodig een roepstem te volgen die ik alleen kan horen. Maar wie zich zogenaamd doof houdt voor die zwakke stem, zal misschien nooit echt gelukkig worden. Ik vermoed dat veel onbehagen in de cultuur veroorzaakt wordt door de weigering te luisteren naar wat in het binnenste klinkt of het voor onmogelijk te houden haar vraag te beantwoorden.
Misschien zijn de mystici, waaronder Jezus en Boeddha, de meest krachtige, compromisloze cultuurcritici. Zij weigeren daadwerkelijk de door de cultuur opgelegde normen en waarden. Zij trekken letterlijk hun handen af van de maatschappelijke eis het sociale, economische, politieke, ethische spel mee te spelen. Natuurlijk weten zij ook, dat hun individuele leven afhankelijk is van sociale organisaties. Zij zijn bereid daarin op hun wijze mee te doen. Ik denk aan Simone Weil en Dag Hammerskjöld. Maar ook grote mystici als Meister Eckhart, Jan van het Kruis, Teresa van Avila, waren niet alleen geestelijke leraren, zij zaten ook in de besturen van hun kloosters en ordes. Zij waren medeverantwoordelijk voor hun organisaties. Zij hadden te maken met geldzaken, fondswerving, onderhandelingen met wereldlijke autoriteiten over kloosterstichtingen. Sommigen bemoeiden zich met de kerkelijke politiek, spraken zich kritisch uit over misstanden van kerk en clerus. En aldus maakten sommigen ook vuile handen.
Tegelijkertijd gaan zij uit van een volstrekt ander standpunt. Willens en wetens zijn zij wereldvreemd. Zij weigeren te gehoorzamen aan het dictaat van de rede, de dwangbevelen van de economie, de gebodsbepalingen van moralisten. Zij laten zich niet verleiden door de aanlokkelijke mythes van welzijn, welvaart en geluk. Want dit alles is niet de bestemming van de mens. Freud schreef al in het begin van zijn essay: ‘Men kan zich niet aan de indruk onttrekken, dat de mens vaak met verkeerde maatstaven meet, Macht, Succes en Rijkdom voor zichzelf najaagt en die van anderen bewondert, maar de echte levenswaarden onderschat.’
Omwille van die ‘echte levenswaarden’ luisterden de mystici niet naar wereldlijke stemmen, maar naar een ‘stil geschreeuw’. x Niemand weet waar deze zachte, nauwelijks hoorbare kreet vandaan komt. Wil ik hem horen, dan moet ik goed luisteren. Ik moet stil worden, alleen maar bereid zijn om te ontvangen, ook al vormen die influisteringen soms pijnlijke krassen op mijn ziel. Langzaam zal de boodschap helder worden en geleidelijk zullen er woorden komen, al blijft het ‘een stamelen’ (Jan van het Kruis). Die stille schreeuw is de klank van verlangen die zacht opborrelt uit de zoete keel van Eros. Het blijkt een telkens terugkerend refrein: ‘Wees Liefde.’
Dit is het leidmotief van alle mystiek: wees liefde, doordring alle poriën, botten en cellen met liefde, en ga en sta dan waar je maar wilt. Hier klinkt een opdracht: benader alles en overdek alles met liefde. Voor de duidelijkheid klinkt er verder: maak geen uitzonderingen, stel geen voorwaarden, wees zonder maat, zonder aanzien des persoon, want dit is absolute liefde. Alleen hier ligt de gelukzaligheid en slechts dit is zaligmakend. Vanaf nu weet de mysticus zijn taak, gehoord als een bevel: doordring met deze liefde alle handelingen, schenk je omgeving ermee vol, laat haar doorsijpelen in het denken, in de verlangens, de sociale structuren en organisaties, overspoel ermee de wereld en doordrenk ermee vooral het kwaad.
In het Mahayana klinkt hetzelfde in andere bewoordingen: die schrille stem zegt: zie nondualiteit, kijk op een absolute wijze, maak geen onderscheid. Zie de wereld met nonduale ogen, want alleen een absolute zienswijze brengt bevrijding. Met onze relatieve visies kunnen we onze situatie wellicht verbeteren, het ons wat comfortabeler maken. Maar Samsara blijft Samsara. Alleen ogen, die geen onderscheid maken, kunnen zien dat de relatieve werkelijkheid geen hindernis is voor een bevrijd bestaan. Nonduale ogen zijn mystieke, gesloten ogen, bezet met liefde. Ziedaar de bodhisattva, één en al hand, één en al oog.

Nico Tydeman
 

i Frits Staal heeft er op gewezen hoe Freud van belang is voor het onderzoek van de mystieke ervaring. Zijn vrije associatie komt wonderwel overeen met een boeddhistische wijze van meditatie, wat in de zentraditie zazen of shikantaza heet:
‘Een goed voorbeeld van het hier vereiste onbevooroordeelde en onbevangen observeren is wat Freud in zijn Traumdeutung (1900) kritiklose Selbstbeobachtung,  ‘het zonder kritiek observeren van zichzelf’ noemde. Hetgeen Freud zegt over de techniek die patiënten moeten toepassen wanneer zij een gedetailleerd verslag van hun dromen willen geven, is van groot belang voor het onderzoek van de mystieke ervaring. De desbetreffende passage verdient hier in zijn geheel geciteerd te worden:
‘Men streeft ernaar twee soorten veranderingen in hem te bewerkstelligen: een vergroting van de aandacht die hij voor zijn psychische waarnemingen heeft en het uitschakelen van de kritiek, waarmee hij anders de in hem opduikende gedachten pleegt te ziften. Opdat hij zichzelf kalm en aandachtig kan observeren, strekt het hem tot voordeel dat hij een rustige houding aanneemt en de ogen sluit; men moet uitdrukkelijke van hem eisen dat hij geen kritiek uitoefent op hetgeen hij zijn gedachten ziet vormen. Men zegt dus tegen hem dat het succes van de psychoanalyse daarvan afhangt dat hij alles wat door zijn hoofd gaat, waarneemt en vertelt en dat hij er zich niet toe laat verleiden de ene inval te onderdrukken omdat deze hem onbelangrijk en niet tot het onderwerp behorend, de andere omdat  die hem onzinnig toeschijnt. Hij moet zich volledig onpartijdig tegenover zijn invallen gedragen; want het lag juist aan die kritiek dat het hem anders niet gelukte, de gezochte oplossing van de droom, het waanidee e.d. te vinden.
Ik heb bij mijn psychoanalytisch werk gezien dat de gemoedstoestand van iemand die nadenkt heel anders is dan van iemand die waarneemt wat er in zijn geest omgaat. Er is één psychische handeling die bij het nadenken meer betrokken is dan bij die gevallen waarin men met de meeste aandacht zichzelf waarneemt. Dit blijkt bijvoorbeeld ook uit de gespannen gelaatsuitdrukking en het gefronste voorhoofd van iemand die nadenkt, tegenover de rustige mimiek van degene die zichzelf observeert. We hebben in beide gevallen met een verhoogde aandacht te maken, maar degene die nadenkt oefent bovendien kritiek uit waardoor hij een deel van de in hem opkomende invallen verwerpt na deze waargenomen te hebben, andere  breekt hij direct af zodat hij de gedachtegang die zij zouden openen niet volgt, tegenover weer andere gedachten weet hij zich zo op te stellen dat deze in het geheel niet bewust worden, dat wil zeggen dat ze voordat zij waargenomen kunnen worden, onderdrukt worden. Degene die zichzelf waarneemt daarentegen moet alleen maar moeite doen de kritiek te onderdrukken. Gelukt hem dat, dan wordt hij zich van een grote hoeveelheid invallen bewust die anders ongrijpbaar waren geweest. Met behulp van dit door het waarnemen van zichzelf verkregen materiaal kunnen zowel de pathologische ideeën als de droombeelden geïnterpreteerd worden.’
Staal vervolgt met… Freud vestigt in deze passage de aandacht op iets dat niet alleen pathologische maar ook normale ideeën aanbelangt en niet alleen neuropaten, patiënten en analytici, maar ook anderen – iets waarvan hij zich ongetwijfeld bewust was. Zijn bewering slaat in het algemeen op iedereen die de bewegingen van zijn geest wil observeren en daarom op degenen die de subjectieve kanten aan de mystieke ervaring willen bestuderen, dat wil zeggen (…) op alle serieuze onderzoekers van de mystiek…
(uit Frist Staal, Het wetenschappelijk onderzoek van de mystiek. Het Spectrum, Utrecht, 1978 p.159 -160)

ii De citaten zijn te vinden in Sigmund Freud, Beschouwingen over cultuur, Totem en taboe, Actuele beschouwingen over oorlogen dood, De toekomst van een illusie, Het onbehagen in de cultuur, redactie Wilfred Oranje, Boom Amsterdam, 1999.
Zie ook, zij het vanuit een ander gezichtspunt: Bas Heijne, Onbehagen, nieuw licht op de beschaafde mens, Ambo/Anthos, Amsterdam. Dit essay heeft de P.C. Hooft-prijs 2017 gekregen.

iii Freud op.cit. p.301/302.

iv Freud op.cit. p.309.

v Freud op.cit. p.330.

vi Freud op.cit. p.336.

vii Freud op.cit. p.350.

viii Freud op.cit. p.367.

ix Freud op.cit. p.342.

x O diepe schat, hoe zal men u uitgraven?
O hoge adel, wie kan u bereiken?
O overvloeiende bron, wie kan u uitputten?
O lichte glans, o alles doordringende kracht,
louter verborgenheid, verborgen zekerheid,
zekere toeverlaat, enige stilte in alle dingen,
menigvuldig goed in enige stilte,
gij stil geschreeuw, u kan niemand vinden,
die u niet weet te laten.
Anonieme brief uit de vijftiende eeuw
Dorothee Sölle, Mystiek en verzet, Gij stil geschreeuw, Ten have, 1998, het motto van het boek.