De geboorte van Lao Zi

20 mei 2018

Lao Zi – China, Provincie Quanzhou

Lao Zi woonde 81 jaar in de schoot van zijn moeder

De geboorte van Lao Zi, de auteur van de Daodejing, is niet het werk van aardse inspanningen maar te danken aan een ingreep van een bovennatuurlijk verschijnsel, gesymboliseerd in een druppel dauw, die zich nestelde in de baarmoeder van een wereldse vrouw. De sinoloog Kristofer Schipper heeft de geboortemythe van Lao Zi gehoord in 1979 uit de mond van een vierenzeventigjarige taoïstische meester en aldus opgetekend:

‘Er was eens een oude vrouw die behoorde tot de familie van de Reinen. De Oude Heerser (dat wil zeggen Lao Zi vóór de conceptie) had geen naam. Je zou kunnen zeggen dat het hier om een incarnatie ging in een kuise vrouw. Ze had geen man, maar was zwanger geworden door een druppel ‘zoete dauw’ te drinken. Ze kreeg een dikke buik, maar alleen overdag, ’s nachts niet, want dan verliet de Oude Heerser haar lichaam om de Tao te gaan bestuderen en dan was hij er dus niet.
De Oude Heerser was niet zomaar iemand. Nadat hij als embryo in de buik van zijn moeder was geïncarneerd, wilde hij voor zijn geboorte een dag afwachten waarop er geen leven verwekt zou worden en ook niemand zou sterven. En zo wachtte hij meer dan tachtig jaar zonder tevoorschijn te komen.
Dientengevolge gingen de god van de onderwereld en de god van de hemel bij elkaar te rade en zeiden: “Het gaat hier om de incarnatie van het sterrenbeeld van het levenslot. We moeten hem wel ter wereld laten komen!” Laten we een dag kiezen waarop we ervoor kunnen zorgen dat er niemand wordt geboren en niemand sterft, dan kan hij op die dag verschijnen.
Dat was de vijftiende dag van de tweede maanmaand. Op die dag werd de Oude Heerser geboren. Hij kwam tevoorschijn uit de oksel van zijn moeder. Maar hoe! Hij had helemaal wit haar en een witte baard en omdat hij al kon lopen, liep hij onmiddellijk weg.
Zijn moeder riep: “Hé daar, mijn oud kind! Waarom loop je weg zonder je te laten bekijken? Waarom ga je er vandoor zodra je bent geboren? Ik zal je later niet eens meer herkennen!” Toen draaide hij zich plotseling om, zodat zijn haren en zijn baard in de lucht wapperden. Zijn moeder schrok zo toen ze hem zag dat ze flauwviel en ter plekke stierf.
De Oude Heerser vervolgde zijn weg en liep rechtdoor, zonder stil te staan, totdat hij bij een prunusboomgaard kwam. Daar leunde hij tegen een boom en zei: “Ik ken noch mijn naam, noch mijn familie. Nu leun ik tegen deze prunus, laat ik hem dus maar tot familienaam nemen. En wat is mijn voornaam? Mijn moeder noemde mij ‘oud kind’, dus mijn naam is ‘Lao Zi’. Want Oude Heerser is een eretitel; in werkelijkheid is zijn naam Kind”.’1

Alleen een symbolisch lezen helpt ons dit geboorteverhaal te verstaan. Lao Zi groeide in de baarmoeder, maar alleen overdag. ’s Nachts verliet hij de warme, beschermende schoot om de Tao te bestuderen. Niemand is daarvan getuige. De plaats waar hij heen gaat wordt niet genoemd. De buitenwereld blijft onwetend.
Over het tijdstip van zijn geboorte lijkt Lao Zi zelf te willen beslissen: hij wil een dag afwachten waarop er geen leven verwekt zou worden en ook niemand zou sterven. De goden stemmen er mee in. Want deze mens is een incarnatie van ‘het sterrenbeeld van het levenslot’. Deze mens die geboren wordt om te sterven, doorbreekt alle ideeën over sterfelijkheid.
Als de mythische tijd van zijn geboorte is aangebroken – sommige legendes houden het op eenentachtig jaar zwangerschap – baart zijn moeder Lao Zi via haar oksel. Waarom kiest hij de uitgang via haar oksel? Hij had geboren kunnen worden uit elk lichaamsdeel van zijn moeder. Wellicht was de gebruikelijke doorgang door het geboortekanaal te gewoon voor hem. Hij was er te oud voor. Wellicht wilde hij aantonen dat zijn geboorte niet geslachtsafhankelijk was.
Hij komt ter wereld met wit haar en een witte baard, kan meteen lopen en maakt zich direct uit de voeten. Want wat heeft hij nog te zoeken bij zijn moeder? Binnen haar ingewanden is hij volwassen geworden, volgroeid en tot wijsheid gekomen. Hij heeft niets meer te leren, niet van zijn moeder en ook niet van welke leraar dan ook.
Zijn moeder roept hem nog na: “Hé, oud kind. Waarom loop je weg zonder je te laten bekijken?” Elke moeder wil niets liever dan urenlang dit wonder, dat uit haar schoot voortkwam, bewonderen. Maar Lao Zi gunt haar geen tijd. Hij rent weg. Hij toont geen enkele interesse in zijn biologische afkomst. Zijn moeder schrikt van zijn uiterlijk, zijn ouderdom en sterft ter plekke. Het biologische proces heeft zijn werk gedaan en is verder van geen enkel nut.

Sima Qian vermeldt dat Lao Zi, afkomstig uit de staat Chu, enige tijd als filosoof rondtrok, maar niemand tegenkwam die naar zijn waarheden wilde luisteren. Uiteindelijk gaf hij het op de mensen goede raad te geven en besloot hij de beschaafde wereld, in dit geval China, te verlaten. Aan de westgrens kwam Lao Zi een poortwachter, Guan Yin Zi, tegen, die hem wist over te halen zijn ideeën in elk geval op te (laten) schrijven, omdat het zonde zou zijn als die helemaal verloren zouden gaan. Lao Zi zou hierop de Daodejing, het Boek van Weg en Deugd, een verzameling van eenentachtig korte Chinese teksten, hebben laten samenstellen. Het is waarschijnlijk dat de versie van de Daodejing zoals wij die nu kennen in eenentachtig verzen, niet door één auteur is geschreven, maar een verzameling uitspraken van Lao Zi is, opgetekend na mondelinge overdracht door zijn discipelen, zoals Guan Yin Zi. Volgens academische tekstwroeters dateert het werk uit de derde eeuw voor Christus.
Of Lao Zi daadwerkelijk de Daodejing geschreven heeft of er slechts de samensteller van is, of dat meerderen aan de totstandkoming van de tekst bijgedragen hebben, het verhaal van zijn legendarische geboorte nodigt uit tot een bepaald verstaan van dit taoïstisch geschrift. Het biedt een hermeneutische sleutel. Het wonderbaarlijke ter wereld komen wijst op een waanzinnige gebeurtenis die elk verstand te boven gaat. De ‘auteur’ is van goddelijke komaf en zoals hij met zijn nederdalen op aarde de spot drijft met de natuurlijke gang van zaken, zo doorbreken zijn woorden de gewone, gangbare begrippen, concepten en ideeën van het menselijk verstaan. De tekst spreekt niet over geboorte en dood zoals wij stervelingen onder elkaar van gedachte wisselen over die fundamentele, existentiële feiten. Op de dag van Lao Zi’s geboorte wordt er niemand geboren noch sterft er iemand. De Daodejing gaat over een werkelijkheid die geen begin en geen einde kent. Hoewel er soms sprake is van een oorsprong ‘waartoe alle dingen terugkeren’, is deze bron nergens te vinden.
Niemand kan de bron aanwijzen tenzij men nietszeggend zegt dat zij overal is. Bovendien heeft het woord ‘bron’ een symbolische betekenis voor iets wat met het gewone oog niet kan worden waargenomen. Het is geen ding, geen object, geen verschijnsel.
De Daodejing gaat ook niet over onze buitenwereld, over zijn aard en hoedanigheden, zijn gevaren en problemen en hoe deze te overwinnen. Integendeel. Om ons van het gedoe en gewoel van onze aardse strubbelingen te verlossen, trekken de woorden onze aandacht naar binnen. In ons lichaam en dus in onze geest woont een innerlijke kracht (in het Chinees ‘De’ genaamd) die ons in staat stelt een fysiek en spiritueel gezond leven te leiden. Maar deze innerlijke kracht heeft niets te maken met het geweld waarmee mensen en volkeren macht over elkaar uitoefenen.
Aldus is de Daodejing geen filosofisch traktaat, geen politiek manifest, geen wetenschappelijke uiteenzetting, geen medische verhandeling. Voor onze zingeving, overleving en geluk laat zij ons een totaal andere kant opkijken.² ‘Zoek niet het meetbare, maar het onmeetbare (Tao).’ ‘Vertrouw niet op het sterke, maar op het zwakke (Tao)’. ‘Houd je niet bezig met het veranderlijke, maar leer het onveranderlijke (Tao) kennen, want het onveranderlijke kennen, maakt vergevingsgezind.’ ‘Loop niet in het licht, maar wandel in de duisternis (Tao).’ ‘Wees eenvoudig, bewaar je natuurlijkheid, denk minder aan jezelf, ontdoe je van begeerte.’ En dat zijn allemaal adviezen waar de gewone burger hoe geleerd en geletterd ook geen raad mee weet. Want voor het denkend deel der natie – als ook voor het niet nadenkende deel – is dit onzin.
Alles wat in de wereld gaande is, lijkt de schrijver koud te laten. Al het uiterlijke leidt tot niets. Het enige wat vertrouwd wordt, is Tao en de innerlijke kracht (De). Lao Zi, of wie daar ook voor doorgaat, geeft geen sociale theorieën, spoort niet aan tot geleerdheid of deugdbeoefening, maar wijst op het belang van het leven in de baarmoeder. Daar groeit de mens op natuurlijke wijze tot volwassenheid. In de uterus ontstaat alles wat een individu nodig heeft om een gelukkig leven te leiden. De vrucht doet niets anders dan groeien. Al het noodzakelijke wordt hem aangereikt. En zodra de mens naar buiten komt, hoeft hij alleen maar deze natuurlijke ontwikkeling te volgen. Wie eenmaal geboren is, hoeft niets meer te doen (wu-wei). Hij is in het volle bezit van al de rijkdom waarover hemel en aarde beschikken. Hem ontbreekt het aan niets.
Maar wie gelooft dat? Wie heeft zo’n groot vertrouwen in de natuurlijke aard der dingen? Wie is in staat om zo te rusten in een rusteloze wereld? De Daodejing is geen dogmatische verhandeling waarin het irrationele in quasi rationele woorden wordt opgedrongen. Het boek is te raadselachtig om dwingend te zijn. Het roept op tot een groot vertrouwen dat nergens op gebaseerd is. Eerder dan een leerstellige uiteenzetting is de tekst een loflied op de tao van de taoïst, op de wijsheid van de Wijze, op het vreugdevolle handelen van wu-wei.
Het eerste hoofdstuk zet de toon: uit het ondefinieerbare komt het definieerbare voort en hun samenhang is ondefinieerbaar.

De eeuwige Tao
kan niet in woorden worden uitgedrukt.
De eeuwige naam
kan niet worden genoemd.

Het niets: een naam voor de herkomst van de tienduizend
dingen.
Het iets: een naam voor de moeder van de tienduizend
dingen.

Waarlijk: voor immer bevrijd van begeerte,
mag je het mysterie aanschouwen.
Blijf je altijd vol verlangens,
dan zie je slechts wat je beoogt.

Deze tegenstelling is het gevolg
van het door namen te scheiden
van wat oorspronkelijk één was.

Dit een-zijn heet: het duistere.
In het duistere van dat duistere schuilt
de poort tot de massa mysteriën.

In enkele regels wordt de taoïstische ziens- en levenswijze geschetst, die in de daarop volgende hoofdstukken nader wordt aangeduid.
De taoïst drijft en zwemt in een oceaan van mysteries, Tao genaamd. Maar zijn werkelijke naam is onbekend, alleen zijn bijnaam en die is Tao (hfdst. 25). Tao is leeg en bodemloos diep (hfdst. 4). Tao is het Ene, voortdurend wild en puur chaotisch, donkerte, duisternis (hfdst. 21). Tao is als de grote baarmoeder, de oermoeder, zwanger van de kosmos (hfdst. 25). Tao baart, geeft de schepsels leven, voedt ze met zijn innerlijke kracht, geeft hen vorm, brengt ze groot, vervolmaakt hun functie, geeft rust en vrede, biedt bescherming en ondersteuning (hfdst. 51).
De taoïst volgt Tao, want Tao is de weg en wijst de weg: ‘Wees eenvoudig, bewaar je natuurlijkheid, denk minder aan jezelf, ontdoe je van begeerte (h.19). Met andere woorden: laat alle intentionaliteit vallen, wees zonder bedoelingen, zonder doelstellingen. Want ‘de Tao bestaat er in nooit iets te doen’ (hfdst. 37). Vandaar: ‘Zoek de hoogste leegte, bewaar de diepste stilte. Dan verrijzen alle dingen tezamen. Stil zittend aanschouw ik hun terugkeer (hfdst. 16). Zhuangzi, die uitgebreid de gedachtegang van de Daodejing beschrijft, noteert hier:

Voed je hart! Je hoeft alleen maar te blijven nietsdoen. Dan gaat alles vanzelf!
Laat lijf en ledematen wegvallen, spuug uit je intelligentie, vergeet de dingen en hun ordening. In volledige eenheid met de diepe duisternis, bevrijd je hart, laat los je geest.
Er is niets meer, ook niet de ziel. De tienduizend dingen, hoe florissant ze ook zijn, keren alle terug naar waar zij vandaan kwamen. Ja, ieder ding keert terug naar zijn wortels, maar geen enkel geeft zich daarvan rekenschap. In deze toestand van chaos blijven ze hun hele leven.
Als ze zich rekenschap zouden geven, dan zouden ze hun wortels verliezen. Vraag niet naar zijn naam, speur niet naar zijn hoedanigheden, want heus, alle dingen worden spontaan gegenereerd.3

Hoe weet de wijze taoïst dit alles? Heel simpel en direct: ‘door dit hier – mijn eigen lichaam’ (hfdst. 21). ‘Waarlijk: slechts degene die zijn lichaam beschouwt als iets kostbaarder dan de hele wereld mag belast worden met het bestuur ervan. Slechts aan wie zijn eigen lichaam liefheeft als zijnde de hele wereld mag de wereld worden toevertrouwd’ (hfdst.13). Een taoïstische oude meester zei:
‘Ik heb geleerd dat het lichaam van de mens de beeltenis van een land is. Borst en buik zijn als paleizen en hofsteden, de vier ledematen zijn als buitenwijken, de gewrichten als beambten… Zij die hun lichaam weten te besturen, weten ook hun land te regeren.’
Daarom beoefent de wijze meditatie. Niet als een opgelegd pandoer, niet om iets te bereiken, maar – o wonderlijke paradox – om het lichaam zijn gang te laten. Het lichaam wil graag beoefend worden. Dankzij een getraind lichaam wordt kennis verworven. Die beoefening komt van binnenuit. Bekend is de taoïstische methode van ‘het vasten van het hart’. Zhangzi vertelt hier meer over:

‘Mag ik vragen wat dat vasten van het hart dan wel inhoudt?’ vroeg Yan Hui.
‘Concentreer al je aandacht. Luister niet meer met je oren, maar luister met je hart. Luister niet meer met je hart, maar luister met je qi [de kosmische energie]. Wat hoorbaar is houdt op bij de oren, terwijl het hart nog toegankelijk is voor symbolen. Maar de qi is leeg, slechts dingen geven het gestalte. Voorwaar! In die leegte wordt de Tao vergaard. Leeg zijn, dat is het vasten van het hart. […] Het is bekend dat kennis vergaard wordt door het weten. Wat nog niet bekend is, is de kennis verkregen door het niet-weten. Richt je blik naar die [duistere] waterplaats (onderste deel van de romp: ingewanden, nieren etc.): uit het lege vertrek komt dan het witte [licht] (= het hart). Alle voorspoed ligt in het “stilstaan van het stilstaan”. […] Ik zeg je: wanneer je oren en je ogen naar binnen zijn gericht en daar geheel kunnen doordringen terwijl je het eigen denken buiten kunt sluiten, dan zullen de geesten der voorvaderen en goden zich bij je thuis voelen, en de gewone mensen nog des te meer!’

Daar de tienduizend dingen voltallig in mijzelf zijn, is het oprecht inkeren tot in mijn eigen lichaam voor mij het hoogste genot. (Mengzi, ‘Jinxin’)4

Overigens bevatten de taoïstische geschriften weinig concrete aanwijzingen als het over meditatie gaat. Waar deze vermeld worden, lijken zij meer ‘plastische beschrijvingen van een leerproces dat bestaat uit geleidelijke uitzuivering van bewustzijn en het handelen.’ Dit blijkt enigszins uit de volgende humorvolle dialoog waarin Yan Hui naar Confucius, de man van menslievendheid, rechtvaardigheid en rituelen, gaat om zijn progressieve, geestelijke ontwikkeling te melden.

Yan Hui zei: ‘Ik heb vorderingen gemaakt.’
Confucius vroeg: ‘Wat bedoel je?’
Yan Hui antwoordde: ‘Ik heb de menslievendheid en rechtvaardigheid vergeten.’ Confucius zei: ‘Goed, maar je bent er nog niet.’
Een andere dag kwam Yan Hui weer bij Confucius en zei: ‘Ik heb vorderingen gemaakt.’
Confucius vroeg: ‘Wat bedoel je?’
Yan Hui antwoordde: ‘Ik heb de welvoeglijkheid en de muziek vergeten.’
‘Goed’, zei Confucius, ‘maar je bent er nog niet.’
Een andere dag kwam Yan Hui weer en zei: ‘Ik heb vorderingen gemaakt.’
Confucius vroeg: ‘Wat bedoel je?’
Yan Hui antwoordde: ‘Ik zit neer in vergetelheid.’ Van zijn stuk gebracht vroeg Confucius: ‘Wat bedoel je met neerzitten in vergetelheid?’
Yan Hui antwoordde: ‘Ik heb het lichamelijke afgeworpen, intelligentie laten varen, afstand gedaan van de uiterlijke gedaante, me ontdaan van kennis en me verenigd met het Grote Verbindende. Dat bedoel ik met neerzitten in vergetelheid.’
Confucius zei: ‘Daarmee verenigd, ben je vrij van voorliefde. Getransformeerd, ben je vrij van conventies. Je bent werkelijk een wijze! Mag ik je volgen en in je voetstappen treden?’5

Al heeft hij de schijn tegen, de taoïstische wijze is geenszins individualistisch. Want de innerlijke kracht van Tao vloeit over naar alle kanten van de wereld. ‘Ik beschouw daarom andere personen vanuit mijzelf: families als mijn eigen familie, streken als mijn eigen streek, landen als mijn eigen land, de wereld als mijn eigen wereld.’ En dan volgt er een retorische vraag met een rechtstreeks antwoord: ‘En hoe weet ik dat de wereld is zoals ik hem zie? Vanuit mijn eigen innerlijk.’ (hfdst. 53).

De legende van Lao Zi’s geboorte vertelt dat hij weliswaar als elke sterveling geboren is uit een aardse moeder, maar met een zienswijze ter wereld kwam die wringt met het gezonde verstand, met de gebruikelijke politiek, met de veel gepreekte ethische idealen. Hij leert het tegendeel. Maak je geen zorgen om de wereld, wees geen hulpverlener, laat je niet leiden door de waan van de dag, ga niet op jacht naar roem en rijkdom, matig je niets aan, vecht niet, wees een pasgeboren kind, doe niets en alles zal gedaan worden. Van hieruit formuleert Zhuangzi enkele regels voor een optimaal en gezond leven:

Lao Zi sprak: ‘Dit zijn de voorschriften om gezond te blijven:
Kun je het Ene bewaren?
Het nooit verliezen?
Zonder orakels te raadplegen weten wat voorspoedig en wat rampzalig is?
Weet je van stilstaan?
Weet je van loslaten?
Het anderen niet aanrekenen, maar het in jezelf zoeken?
Kun je ongebreideld zijn?
Kun je onnozel zijn?
Kun je als een kind zijn?
Een kind dat de hele dag kan schreeuwen zonder een schorre keel te krijgen, zo volmaakt is zijn harmonie!
De hele dag zijn vuistjes ballen zonder kramp te krijgen, zo volkomen is zijn innerlijke kracht!
De hele dag staren zonder met de ogen te knipperen, zo onbewogen is het door uiterlijke dingen!
Gaan zonder te weten waarheen,
staan zonder te weten waarom,
soepel met alle dingen meebewegend,
meedrijven op dezelfde golven.
Dat zijn de regels om gezond te blijven.’6

Niko Sensei

  1. Peter Sloterdijk, Sferen, uitgeverij Boom, 2003, p.220-221.
  2. Lao Zi, Het boek van de Tao en de innerlijke kracht, een nieuwe vertaling en toelichting door Kristofer Schipper, uitgeverij Augustus, Antwerpen/Amsterdam, 2016.
  3. Kristofer Schipper, op.cit. p. 52
  4. Kristofer Schipper, op.cit. p.116
  5. René Ransdorp, Zwervend met Zhuang Zi, wegwijs in de taoïstische filosofie, Damon, 2007, p.79-80.
  6. Kristofer Schipper, op.cit. p.132