Tathagata

5 nov 2016

In november – evenals in april – wanneer ik geniet van een sabbatical maand – vraag ik aan verschillende leerlingen om op de dinsdagavond mijn plaats in te nemen en een dharmales te verzorgen. Tot nu heb ik over deze avonden steeds onverminderd enthousiaste reacties gehoord. Ook al is het voor diegene die gevraagd wordt soms een moeilijke, nerveus makende opgave, altijd blijken de toehoorders verrast en ingenomen met wat er wordt verteld. Zo hoor je nog eens van een medeleerling over diens ervaring met het zenpad, de moeilijkheden, de mooie momenten, de twijfels, de onzekerheden, of luistert een ieder geboeid naar verhalen over jeugdjaren, hobby’s, beroep, gezinssituatie, de strijd met zazen of rituelen of de worsteling met de Leer. Telkens als ik iets hierover terug hoor, blijken het in alle opzichten boeiende, leerrijke avonden.
Toch is hier meer aan de hand. Wie een dharmales houdt, verkondigd niet alleen de Dharma, maar is de Dharma. Uiteraard, het is meegenomen dat iemand aangenaam kan vertellen over ervaringen uit de jeugd, of boeiend kan spreken over wederwaardigheden met het zenboeddhisme, dat hij/zij gloedvol kan vertellen over wat gelezen en bestudeerd is en aldus iets van inspiratie over kan brengen aan anderen. Maar naar de traditionele zenzienswijze, gaat het hier niet zozeer om de Dharma te verkondigen, maar om de Dharma te laten zien. Het Japanse woord voor dharma-onderricht is Teisho, dat letterlijk betekent: het tonen van de Dharma. Wie ik vraag mij te vervangen, wordt geacht de Dharma tot uitdrukking te brengen, de Dharma te laten zien. Maar hoe doe je dat? Door niets extra te doen. Door de Dharma niet op een bijzonder manier te willen tonen. Maar eenvoudig door te gaan zitten op het kussen en het verhaal te houden. Wat gezegd wordt, is echter ondergeschikt aan de feitelijke verschijning van degene die voor de sangha plaats neemt.
Het feit dat iemand verschijnt is doorslaggevend, niet zijn woorden, uitleg of verhalen. Deze verschijning wordt niet aangetast door leeftijd, karakter, geslacht, noch door intellectuele of culturele vorming, al is deze Gestalt niet te kennen zonder deze zichtbare, uiterlijke, toegekende kenmerken. In de zentraining proberen we zicht te krijgen op deze altijd onschuldig blijvende verschijning met behulp van de koan ‘Wie ben ik?’ Het antwoord is niet een opsomming van onze karakteristieke kenmerken of een uitleg over onze identiteit of geschiedenis, het antwoord kan uitsluitend bestaan in een zwijgend tonen van zichzelf. Of, om nu toch iets te zeggen: ‘Zie mij!’ Waarschijnlijk zal een ander die kijkt naar deze verschijning verbaasd vragen: wat bedoel je? En dan heeft degene die zwijgend verschijnt een groot probleem om dit uit te leggen. Misschien dat alleen poëzie kan helpen. Maar wie zelf geen weet heeft van deze absolute verschijning, zal niet in staat zijn deze bij een ander te zien. Want met het oog der gewoonte kan dit niet waargenomen worden. Er valt hier namelijk niet iets te zien.
Hetzelfde doet zich voor met de koan: ‘Toon mij je oorspronkelijke gelaat nog vóór je ouders geboren werden.’ Dit oorspronkelijke gelaat is niets anders dan het gelaat dat zich op dit moment toont. Ook al is dit gelaat getekend door ouderdom, gegraveerd met de gebeurtenissen uit de levensloop en lotgevallen, het blijft ook onaangedaan, oorspronkelijk, nieuw, onschuldig, als niet geboren.
De Boeddha noemt zichzelf vaak de ‘tathagata’, vertaald als ‘de zo-gekomene’. Daarmee verwijst hij naar het boven persoonlijke karakter van zijn optreden in de geschiedenis. Ook al heeft hij de vinger gelegd op het probleem van het menselijk bestaan en een weg gewezen die leidt naar de opheffing van lijden (dukkha), zijn leven zelf gaat alle waarheid en alle onderricht te boven. Staande in de geschiedenis is overschrijdt hij elke historiciteit. Zijn verschijning zelf is bevrijdend.
In het mahayana wordt deze onaangetaste, onbenoembare wijze van verschijning dharmakaya genoemd, het lichaam van de Dharma, de uiteindelijke werkelijkheid. Het is de plaats van bevrijding, omdat het alle weten en denken overstijgt. Wanneer we dit lichaam van bevrijding leren kennen, is dat niet alleen een verlossing voor onszelf, maar het leert ons ook met bevrijdende ogen te kijken naar anderen. In de taal van de zentraditie: wanneer ik weet dat ik de boeddha ben, dan kan ik ook zien dat alle anderen de boeddha zijn, ongeacht hun uiterlijk, hun gedrag en hun daden. Want het weet hebben van deze boeddhanatuur of van ons Ware Zelf, onze ware natuur, zoals de traditie het noemt, is uiteraard universeel. Het is de moeite waard om op basis van dit inzicht telkens wanneer ik iemand ontmoet allereerst te denken: dit is een boeddha. Daarna kan de communicatie nog elke vorm aannemen.

Ik dank Mariette, Willem-Jan, Marieke, Michel en Adriaan dat zij bereid zijn mij deze november maand te vervangen. Op dinsdagavond 6 december ben ik weer aanwezig in de zendo. Dan zal ik onthullen of zwarte piet boeddhistisch gezien wit, zwart of iets er tussen in is.

Niko Sensei