Rahula’s haartjes

27 jan 2017

Een van mijn zwagers is vorige maand overleden.
Terwijl ik aan zijn bed zat en getuige was van die mysterieuze overgang van levend naar dood, voelde ik dat er iemand naast me plaats nam. Het was Channa, de trouwe dienaar en wagenmenner van Siddhartha Gautama. En ik vroeg hem: “Channa, kan mij dit ook overkomen?”
“Jazeker,” zei Channa “dit zal ook jou overkomen.”
“En ouderdom?” vroeg ik. “Kijk in de spiegel darling” kreeg ik als antwoord. “En ziekte?” “Dat moeten we overlaten aan de schikgodinnen.”
Het zien van een oude, een zieke en een dode man bracht – volgens ’t verhaal van de Boeddha – Siddhartha Gautama er vijfentwintig eeuwen geleden toe om huis en haard te verlaten en op zoek te gaan naar het doodloze, naar een oplossing van het lijden.
In het mooie boek ‘De historische Boeddha’ van Schumann kunnen we lezen waarom veel jonge mannen dat in die tijd deden. Er was een onvrede met de ongebreidelde macht van de Brahmanen en hun megalomane offercultus en men ervoer het traditionele kastesysteem en het familieleven als een keurslijf. “Een benauwenis is het huiselijk leven, een stoffig pad. Het Samanaschap is de vrije hemel”, schijnt Siddhartha meerdere malen onder woorden te hebben gebracht.
“Mee eens” denk ik, die ook op mijn vijfentwintigste de maatschappij verliet op zoek naar verlichting. En ja, Siddhartha vónd uiteindelijk het Doodloze en werd een Boeddha.
Toch heb ik behoefte om stil te staan bij ’t moment van Siddhartha’s vertrek. Het verhaal gaat dat Yashodhara, met wie Siddhartha al sinds zijn zestiende was getrouwd, het krijgen van een kind zo lang mogelijk had uitgesteld omdat ze wist dat een nakomeling voor de ouders van Siddhartha een voorwaarde was voordat hij gehoor kon geven aan zijn langgekoesterde wens om Bikkhu te worden.
Vandaar dat de dag van de geboorte van hun zoon Rahula ook de nacht was waarop Siddhartha vertrok. “Omdat ie zijn pasgeboren zoon nog wilde zien voor hij wegging kwam Siddhartha het vertrek binnen waar Yashodhara met het kind lag te slapen. Door zijn binnenkomst doofde de olielamp. Daar de jonge moeder bovendien het hoofd van het kind beschermend met haar hand bedekt hield was het Siddhartha niet mogelijk ten afscheid een blik op zijn kind te werpen. Zonder indruk van hem gekregen te hebben verliet hij rond middernacht op zijn paard de stad” aldus Schumann.
Dus… heeft Siddhartha niet heel voorzichtig en teder de arm van zijn vrouw met wie hij al dertien jaar samen was en die hem net met veel pijn en zweet een zoon had gebaard, die arm die hem zo vaak liefkozend had omhelsd, losgemaakt om dat pasgeboren wonder aan zijn hart te drukken?
Nee.
Want als hij dat wel had gedaan dan was er misschien nooit een Boeddha geweest. En was het Doodloze nooit gevonden.
Of wel?
Had Siddhartha wél die mysterieuze zwaarte van dat pas begonnen leven in z’n armen genomen dan had hij misschien zichzelf en alle ideeën omtrent onthechting vergeten. Zichzelf vergeten en verlicht geworden door een van die waardevolle tienduizend dingen namelijk zijn zoon Rahula, wiens naam ‘hindernis’ betekent.
Als zestien Bodhissatva’s bij het in bad gaan verlichting kunnen bereiken puur door de aanraking met het water, wat dacht je dan van Siddhartha met z’n neus in de haartjes van Rahula?

Er was es een monnik in een Japans zenklooster die kwam bij z’n meester en zei: “Meester in de winter is het hier zo koud en in de zomer zo heet, kan ik hier aan ontsnappen?”
“Jazeker” zei de meester.
“O ja?” zei de monnik, “hoe dan?”
“Door naar een plek te gaan die noch koud, noch warm is” zei de meester.
“O ja? En waar is die plek dan?” vroeg de monnik.
Toen zei de meester: “Laat jezelf doden door de kou, laat jezelf doden door de hitte.”

Misschien was Siddhartha gestorven aan de liefde en gebleven. Gestorven aan ‘de benauwenis en het stoffige’ en de onvrijheid van het gewone leven. Misschien waren de vier Edele Waarheden, het Achtvoudige Pad en de Middenweg tot hem gekomen terwijl hij, zittend onder de rozenappelboom van zijn jeugd naar Rahula zat te kijken die aan zijn voeten speelde.

Wie zich hecht moet er vroeg of laat aan sterven. Maar wie kan het laten? Ik niet.

Luister: Op Cypres woonde eens een man die smoorverliefd was op een beeldschone vrouw die hij in de zee had zien baden.
Hij droomde van haar en smachtte naar haar maar de vrouw, die in werkelijkheid de godin Afrodite was, bleef in haar tempel.
De man – die Pygmalion heette en beeldhouwer was – maakte toen een marmeren beeld van haar. Een weergaloos mooie vrouw, zijn eigen volmaakte beeld van de liefde. Het leek of ’t leefde.
Elke dag stond het hem op te wachten, zat bij hem aan tafel en elke nacht lag het in zijn armen. Maar het leefde niet.
Afrodite, die graag glimlacht zag Pygmalion wegkwijnen en werd heel bedroefd. Ze bedacht een plan en ging naar de Moïren, ook wel schikgodinnen genoemd, de dochters van de Nacht en het Onland: de oudste spint de levensdraad van ieder mens, de tweede bepaalt de lengte en de derde knipt met haar scherpe schaartje de draad af. Afrodite vertelde hen het hele verhaal en zei: “De arme Pygmalion zal eraan sterven voor zijn tijd.”
Dat schokte de evenwichtige Moïren, “niemand sterft hier voor zijn tijd, dat mag niet gebeuren!” Toen spon de eerste zuster een nieuwe draad en de tweede legde hem langs de levensdraad van Pygmalion en de derde twijnde de draden om die gelijk af te knippen. Afrodite was ondertussen al naar Zeus op de hoge Olympos en terwijl ze zacht langs zijn hand streek zei ze:
“Vader Zeus, jij hebt hart voor wie verliefd is want jij kent de liefde beter, dieper dan wie ook van goden en mensen, moet Pygmalion sterven aan zijn verlangen of mag deze illusie voor één keer belichaamd worden? Zeus boog het hoofd, de onwerelds geurende haren vielen voor zijn ogen en de grote Olympos ging beven. Hoogstpersoonlijk daalde hij af naar de vruchtbare aarde die ons allen voedt en vond het beeld op de sokkel.
Toen begreep de god de man. Hij ademde zachtjes tegen het beeld tot de oogleden trilden, de lippen bewogen. Daarna ging hij onwillig terug naar de hoge Olympos.
Laat die middag kwam Pygmalion thuis en zag de gloed van de ondergaande zon als een blos op de wangen van het beeld.Hij kon de pijn niet langer verdragen,hij greep zijn scherpste beitel en wierp zich al op de grond om zichzelf te doden maar tedere handen streelden zijn haar en een stem die hij kende en ook weer niet kende zuchtte: “Liefste blijf bij me, laat me nooit meer alleen zijn.”

Gehechtheid gehechtheid, zonder gehechtheid geen Samsara. En zonder Samsara geen Nirvana.

Ik verlaat nog steeds geregeld huis en haard op zoek naar Nirvana.Op weg naar de zendo op mijn fiets laverend tussen met AMSTERDAM-mutsen gekroonde toeristen weet ik het plotseling zeker: Dit sterfelijk lichaam, zó gehecht, is de Boeddha. Deze vergankelijke wereld vol passies is het Lotusparadijs. May you all be well, happy and free from all fears.

Lolit

P.S: Het verhaal van Pygmalion staat in het mooie boek ‘Griekse Mythen’ van Imme Dros met geschilderde illustraties van haar man Harry Geelen.